Kruiden

Anders dan met specerijen hadden kruiden geen handelsorganisaties nodig. Ze groeiden bijna overal, en dat al duizenden jaren lang. De Assyriërs kookten al met tijm en dille, en ook de Grieken hadden een bijzondere relatie met aromatische kruiden. Ze droegen hun kruiden dan ook op aan hun Goden. Marjolein, rozemarijn en tijm werden opgedragen aan de Godin Afrodite. Hippocrates, een Griekse arts en filosoof die rond 400 v.C. leefde, was de eerste die kruiden systematisch ging gebruiken voor het genezen van ziekten. Maar ook in de Griekse keuken werden kruiden veelvuldig gebruikt. De Griek Pedanios Dioscurides, die omstreeks het midden van de 1 ste eeuw leefde, kende al de meeste van de nu gebruikte geneeskrachtige kruiden. Hij maakte onderscheid tussen planten die in het wild groeiden en gekweekte planten en gaf zijn leerlingen aanwijzingen voor de verzorging en bewaring van deze kruiden.
In de Middeleeuwen waren kloostertuinen de belangrijkste kweekplaatsen van kruiden. Vooral de Benedictijnen brachten van hun stamklooster op de Monte Cassino planten vanuit het Middellandse Zeegebied mee naar de heide ten noorden van de Alpen. Karel de Grote bevorderde ook de kweek van kruiden tijdens zijn bewind. In zijn “Capitulare de Villes” gaf hij vele kruiden op die in kloosters en burchten gekweekt dienden te worden zoals melisse, tijm, salie en marjolein. In de late Middeleeuwen ging de kennis van de geneeskrachtige kruiden over op de apothekers. Elke apotheek beschikte over een eigen kruidentuin waarin kleine plantjes werden gekweekt. Voor de in het wild groeiende kruiden werden de kruidenvrouwtjes verantwoordelijk. Zij mengden liefdesdrankjes, afdrijfmiddelen, wondzalfjes en werden daarvoor, vaak nog in de Moderne Tijd, als heks vervolgd.
Populair werd kruidenkunde pas na de 15 de eeuw, met de uitvinding van de boekdrukkunst. Toen verscheen het ene kruidenboek na het andere en de vraag naar kruiden in de geneeskunde en de keuken groeide explosief.