Specerijen hebben een min of meer (sub)tropische achtergrond. Gedurende een groot deel van de Middeleeuwen had de stad Venetië een monopoliepositie op de invoer van specerijen naar Europa. De stad ontleende daar mede zijn grote bloei en rijkdom aan. Door de ontdekkingsreizen van Marco Polo naar China en India, van Christoffel Columbus naar Amerika, van Vasco da Gama naar India en door de ondernemingsgeest van de daarna gestichte internationale Nederlandse en Engelse handelshuizen, kwamen steeds meer mensen in aanraking met de kostbare wereld van de specerijen. De uitdrukking ‘peperduur’ roept nog altijd de buitengewoon hoge prijzen uit die tijd in herinnering. Ons woord ‘salaris’ is afgeleid van het ‘salarium’, het Latijnse woord voor zoutrantsoen, dat een deel van de beloning vormde. Door de stijgende vraag en steeds efficiëntere produktie zakten de prijzen voortdurend. We kunnen kruiden en specerijen nu in dienst van de keuken plaatsen: prestige, status en de hoge prijs spelen geen rol meer. Maar een vleugje geschiedenis blijft aanwezig: wij associëren specerijen met exotisch, onbekend, dynamisch en avontuur.